Paul Hermann Müller was een Zwitserse chemicus wiens werk het landschap van zowel de mondiale landbouw als de volksgezondheid fundamenteel veranderde. Geboren in Olten op 12 januari 1899 en stervend in Bazel op 12 oktober 1965, is Müllers naam onlosmakelijk verbonden met DDT. Hij kreeg in 1948 de Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskunde voor het blootleggen van de krachtige toxische effecten die deze chemische stof op insecten had. Ruim twintig jaar lang waren DDT en zijn derivaten het meest gebruikte insecticide ter wereld. Deze dominantie speelde een cruciale rol bij het stimuleren van de mondiale voedselproductie en het onderdrukken van door insecten overgedragen ziekten.
De zoektocht naar een ideaal insecticide
Müller bracht zijn hele carrière door bij de JR Geigy Company in Bazel, waar hij van 1925 tot aan zijn dood werkte als onderzoekschemicus. Zijn vroege werk concentreerde zich op kleurstoffen en looistoffen. Het traject veranderde in 1935 toen hij begon te zoeken naar wat hij een ‘ideaal’ insecticide noemde.
Zijn criteria waren specifiek en veeleisend. Hij wilde een verbinding die een snelle en krachtige toxiciteit vertoonde tegen een zo breed mogelijk scala aan insectensoorten. Cruciaal was dat het weinig tot geen schade aan planten of warmbloedige dieren mocht toebrengen. Hij vereiste ook een hoge chemische stabiliteit. Dit betekende dat de stof lange tijd zou blijven bestaan, waardoor langdurige bescherming werd gegarandeerd en de productiekosten laag bleven.
Vier jaar na deze zoektocht testte Müller dichloordifenyltrichloorethaan, beter bekend als DDT. De compound voldeed aan al zijn eisen. Het is vermeldenswaard dat de Duitse chemicus Othmar Zeidler de verbinding voor het eerst in 1874 had gesynthetiseerd. Zeidler zag het potentieel ervan als insecticide niet in. Müller zag wat anderen misten.
Bestrijding van tyfus en bescherming van gewassen
De validatie van DDT kwam snel. In 1939 testte de Zwitserse regering het met succes tegen de coloradokever. Het Amerikaanse ministerie van Landbouw volgde dit voorbeeld met succesvolle proeven in 1943.
De meest dramatische vroege toepassing vond plaats in januari 1944. DDT werd gebruikt om een uitbraak van tyfus, overgebracht door luizen, in Napels te bestrijden. Dit was de eerste keer dat een wintertyfusepidemie met behulp van chemische interventies werd gestopt. Het succes was onmiddellijk en zichtbaar.
De ecologische kosten van persistentie
Het ideale insecticide van Müller was ontworpen om relatief niet-toxisch te zijn voor mensen en andere warmbloedige dieren. De wijdverbreide adoptie van DDT bracht echter onvoorziene gevolgen met zich mee. De persistentie van de chemische stof werd het belangrijkste minpunt.
In 1968 suggereerden schattingen dat er een miljard pond (453 miljoen kg) DDT in het milieu achterbleef. Deze lange levensduur maakte het een gevaar voor het dierenleven. Er kwamen tekenen naar voren waaruit bleek dat DDT de ecologische voedselketens ontwrichtte. Juist de stabiliteit die het economisch levensvatbaar maakte voor de landbouw, maakte het tot een milieurisico.
De achteruitgang van DDT
De aanvankelijke triomf maakte plaats voor verzet van de regelgeving. In 1970 werd DDT snel verdrongen door middelen die sneller afbraken en minder giftig waren. Het gebruik ervan werd in een aantal landen verboden. De stof die ooit miljoenen mensen van ziekte en honger redde, werd een symbool van ecologische ontwrichting. De ontdekking van Müller was een




























